Waarom Cofnas dient te worden gediscrimineerd in zijn rol als academisch onderzoeker.

Inleidend

Dit artikel is een vervolg op de boekbespreking ‘Is Links gewoon slimmer’ van Andreas De Block, en vertrekt vanuit het door De Block uitgewerkte kader voor academische vrijheid om een evaluatie te doen rond Nathan Cofnas. Dit artikel kan los gelezen worden van voorgaande.

Als amateur observator heb ik de zaak Cofnas, sinds de aanwerving aan de Ugent, met aandacht gevolgd. Dit stuk gaat niet over zijn aandeel in de dood van Arday, maar over de legitimiteit om zijn controversiële werk al dan niet onder academische vrijheid te catalogeren.

Ik ben me ook bewust dat Cofnas niet werd aangeworven aan de Ugent voor het onderzoek waarvoor hij nu in het oog van de mediastorm kwam. Mijn reflectie is puur theoretisch: valt Cofnas’ onderzoeksvraag rond wat hij rassenrealisme benoemt onder academische vrijheid?

Voordat ik naar de kern van de zaak ga, wil ik even een gedachte experiment uitvoeren, op basis van een voorzet die De Block zelf aanreikt in zijn boek.

Een gedachte experiment

In 1973 werd homoseksualiteit pas gedeclassificeerd als mentale stoornis in wat nog steeds als de bijbel geldt van de psychiatrie: Diagnostic & Statistical Manual of Mental Disorders, of kortweg DSM.

Louter omwille van de deviatie van de standaard, nl heteroseksualiteit, werd homoseksualiteit als een mentale stoornis gecatalogeerd, een gevolg van het toenmalig normatieve kader van de gemeenschap. Er was een formele meerderheidsstemming (!) nodig onder de APA leden (American Psychiatric Association) om homoseksualiteit formeel niet meer als een stoornis te beschouwen.

Hoewel de wetenschap vandaag eenduidig is dat homoseksualiteit niet gepaard gaat met enige ‘andere’ vorm van afwijking van welke aard dan ook, zijn er ook nu nog steeds studies die het omgekeerde beweren. Sterker, er bestaat robuuste data dat non-heteroseksuelen meer kampen met mentale gezondheidsproblemen dan heteroseksuelen. Correlatie toont zoals steeds geen causaliteit aan, omgevingsfactoren die gepaard gaan met de zgn. minority stress worden steevast als verklaring naar voren geschoven om de verschillen te duiden.

LGBTQ-rechten staan vandaag onder zware stress, zelfs in grote delen van de EU. Zo kunnen sinds het aantreden van Meloni in Italië vrouwen enkel nog een IVF kuur aanvragen indien… ze niet-lesbisch zijn.  In het Hongarije van Orban werd de vrijheid op samenkomen verboden onder de vorm van het verbod op de Pride parade of door de afbakening van LGBTQ vrije zones.

In ons eigen België bestond Van Grieken het nog niet zo heel lang geleden het om bij het aantreden van Di Rupo schandaal te roepen dat de nieuwe premier naast een Waal & een socialist ook nog eens een homofiel was. Vergezeld van de hashtag #gay. Vandaag is Van Grieken voorzitter van wellicht de grootste Vlaamse partij volgens de meest recente peilingen.

Laat het duidelijk zijn dat buiten Europa, de situatie nog velen malen erger is, met zelfs risico’s op vervolging en doodstraf.

Academische vrijheid of niet, is het ondenkbaar dat in deze context elke wetenschappelijke legitimiteit dat kan gegeven worden om homoseksualiteit als een aberratie te brandmerken,  brandstof zou kunnen geven aan politici met een specifieke agenda? Het hoeven zelfs geen extreemrechtse partijen te zijn. Veel rechts conservatieven zien nog altijd het heterokoppel met kinderen als een hoeksteen van de samenleving, en de populariteit van conservatieve partijen is verre van tanend. Homorechten zijn nog niet overal verworven en zelfs als ze dat zijn, blijven ze onder druk staan of worden zelfs teruggeschroefd.

De vraag is of in deze context het verantwoord is om tegen alle wetenschappelijke evidentie in opnieuw de onderzoeksvraag te openen of homofilie geen mentale stoornis is. Fundamentalisten van academische vrijheid zullen blijven claimen dat er geen censuur mag zijn. Tegenstanders daarentegen zullen wijzen op de reeds aan de gang zijnde denormalisering van de gay gemeenschap als contra argument om zulk onderzoek tegen te houden.

Stel je nu volgende setting voor: een vooringenomen ultra conservatieve onderzoeker pleit om de vraagstelling te heropenen en verwijst hiervoor naar bestaande onderzoeken waaruit blijkt dat de  LGBTQ meer kampt met mentale problemen dan de heteroseksuele gemeenschap. Hij minimaliseert omgevingsfactoren en oppert dat homoseksualiteit an sich een mogelijks onderliggende oorzaak is. Hij zal zich verdedigen dat de vraagstelling niet discriminatoir is en slechts een hypothese in deze fase van het onderzoek. Hij zal aangeven dat zelfs als het verband causaal kan worden aangetoond, dit niet automatisch aanleiding dient te geven tot toekomstig discriminatoir beleid. Hij zal mogelijks aangeven dat bij het aantonen van een verband, die specifieke gemeenschap eventueel beter kan worden ondersteund met haar mentale welzijnsproblemen. En waarom niet, als het empirisch echt kan worden vastgesteld dat het om een mentale stoornis gaat, waarom zou men deze gemeenschap met afwijkende seksuele voorkeuren niet trachten te helpen met een conversietherapie?

Science fiction?

Even terug naar het Italië van Meloni. Conversietherapie wordt nergens in de EU officieel erkend, ook niet in Italië. Slechts 6 landen verbieden het, waaronder België. Algemeen wordt erkend dat conversietherapie denigrerend en contraproductief is. Italië is 1 van de vele EU landen waar conversietherapie niet verboden is, Italië is maw geen progressieve koploper in deze materie. Maar wat opvallend is, is dat sinds het aantreden van Meloni elk legaal initiatief om een verbod op deze controversiële therapie voor te bereiden, actief wordt tegengewerkt. Hoewel conversietherapie als psychisch schadelijk wordt beschouwd, worden naar schatting 1 op 5 LGBTQ-ers in Italië hiermee geconfronteerd. Ondanks druk vanuit Europa & activistische groeperingen, steunt Meloni’s regering geen enkel initiatief om dit wettelijk te behandelen.

Sterker, Meloni voert een beleid waarin verworven rechten voor deze gemeenschap verder worden uitgehold. Vele registraties van kinderen van homokoppels werden geannuleerd sinds haar aantreden. Hierdoor verdween in vele gezinnen het voordien juridische kader. Ouderlijk gezag, medische beslissingen, erfenisrechten, … plots staat 1 van de ‘ouders’ juridisch nergens meer. Ondertussen, gelukkig, werd deze praktijk juridisch als ongrondwettelijk beschouwd. Maar evengoed kan je vandaag bij aangifte van een geboorte geen 2 ouders van hetzelfde geslacht meer aangeven.

In deze context wordt conversietherapie gedoogd, versterkt door een sterk anti homoseksueel beleid en dit louter omwille van een normatief ultra conservatief denkkader. Binnen dit gedoogbeleid wordt  homoseksualiteit impliciet terug als een medisch symptoom beschouwd dat zorg nodig heeft. Expliciet discrimineert Italië reeds nu lesbische vrouwen door hen niet zoals heteroseksuele vrouwen toegang tot IVF te willen verlenen en tracht ze andere verworven inclusieve rechten actief teniet te doen.

Ook Vlaanderen kampt met opkomende intolerantie tav homoseksuelen. Deels wordt dit verklaard door het integrisme bij onze steeds groter wordende migrantengemeenschap. Maar op het terrein getuigen bekende homo’s zoals Riad Bahri en influencer Jonatan Medart dat de homohaat ook diep zit bij Jozef & Jan.

In Nederland geeft een recente enquête aan dat er op 4 jaar tijd een belangrijke terugval is bij de jeugd als het gaat om tolerantie tav homeseksualiteit. In ‘21 stonden ‘nog’ 40% van de jongens positief tav homo’s, vandaag slechts 20%. Daar zitten wellicht veel Mohamedden tussen, maar evengoed veel Jannen & Miekes.

Wat zou het effect zijn als binnen een prestigieuze universiteit de piste van mentale stoornis opnieuw wordt bekeken? Zoals vele onderzoeken in de psycho-sociale wetenschappen kan je vele richtingen uit met data, zeker als je blik vertroebeld wordt door een ‘ideological bias’.  De studieresultaten die door een bevooroordeelde onderzoeker potentiële causaliteit aantonen zullen door een groot deel van de academische wereld op zware scepsis worden onthaald en de zwakte van het onderzoek zal kranten vullen, maar politiek gezien zal het rapport door conservatieve partijen als een trofee aan het partijprogramma worden toegevoegd.

Nu kan het 2 richtingen uit gaan. Niet discriminatoir, waarbij homoseksuelen nog steeds over dezelfde rechten blijven beschikken. Maar wel als afwijkend worden beschouwd en dus in het beste geval als groep worden gestigmatiseerd. Of waarbij de ‘wetenschappelijke’ bevinding dankbaar gebruikt wordt door ultra conservatieve politici om het pad vrij te maken om schotten te plaatsen tussen heteroseksuelen en homoseksuelen, en waarbij beetje bij beetje de rechten worden teruggeschroefd.

Dit gedachte experiment wil enkel aantonen dat dit een niet onrealistisch scenario kan zijn, getuige Hongarije & Italië, waar repressie vandaag reeds gebeurt zonder enige wetenschappelijke legitimiteit. Is het ondenkbaar dat het nog vele malen erger zou kunnen zijn, van zodra een prestigieuze universiteit het groen licht geeft om de hypothese van mentale stoornis te onderzoeken?

Maar is dit zwartkijken en de mogelijke maatschappelijk impact voldoende om academische vrijheid in te perken en zoja, op basis van welke argumenten?

Waarom Cofnas geen wetenschap beoefent

Op basis van De Blocks exposé kan waarheidsvinding geoptimaliseerd worden door ideologische diversiteit binnen de academische wereld na te streven. Ideologische neutraliteit of uniforme ideologie is slechte wetenschap, dit bleek uitvoerig in voorgaande artikel.

Daarentegen moet overdreven ideologische vooringenomenheid beteugeld worden in wetenschappelijk onderzoek, en dienen extreme vormen zoals politisering en politiek activisme vermeden te worden. Studies tonen volgens De Block aan dat dit steeds ten nadele is van goede wetenschap.

De ideale academische ideologische diversiteit wordt bereikt door de aanwezigheid van een waardenpallet die een reflectie is van de democratische gemeenschap.

De grenzen die De Block hier zelf stelt zijn oa immoraliteit (zowel in de methodes als in de finale doelstelling), conflicten met de liberale democratie of (risico op) enorme schade.

Waar bevindt Nathan Cofnas zich in deze diverse spectra? Vooreerst Cofnas is geen harde wetenschapper in de zin van bioloog of geneticus. Hij is een filosoof. Hij doet dus zelf geen onderzoek naar genetische verschillen tussen rassen, maar interpreteert bestaande studies om zich daar dan een opvatting over te vormen. Die opvatting is het zgn. ‘hereditarianisme’, waarbij men gelooft dat verschillen tussen (raciale) groepen eerder genetisch dan omgevingsgestuurd zijn.

Zoals eerder vermeld is De Block van mening dat binnen het domein van de filosofie (het vakgebied van Cofnas) na 25 eeuwen de waarheid nog steeds niet gevonden is, en is ideologische superdiversiteit een na te streven doel. Zijn er dan grenzen overschreden die De Block zelf zou erkennen om op te treden? Op zich is de onderzoeksvraag niet immoreel, het onderzoeken en erkennen van verschillen tussen rassen is niet hetzelfde als het stellen dat een ras superieur aan een ander is. Kan het indruisen tegen de fundamenten van onze liberale democratie? Ook niet, zolang we in de onderzoeksfase zitten en de doelstelling kennisvergaring is. Brengt het enorme schade met zich mee? Ook hier valt het in deze fase van onderzoek best wel mee, al kan daar wel een kanttekening bij worden gemaakt.

Laat het duidelijk zijn dat de onderzoeksvraag schuurt en ongemakkelijk aanvoelt, en dat het flirt met de grenzen, maar er geen probleem is zolang eerlijke waarheidsvinding het primaire doel is.

Het probleem zit hem hier echter niet in de onderzoeksvraag, maar in de doelstelling van het onderzoek. Cofnas verbergt nl. zijn intentie niet dat het finale doel is om een wetenschappelijk kader aan rechts te kunnen aanbieden dat als tegenwicht kan dienen voor het linkse woke én een einde kan maken aan het DEI beleid.

Cofnas bezondigt zich hier met andere woorden aan de politisering van wetenschap en gaat zeer ver in zijn politiek activistische opvattingen. Hij wil als het ware een handvest aanreiken aan ideologisch rechts dat dan kan geïnstrumentaliseerd worden om het huidige beleid rond oa onderwijs in de VS te herzien. Hij geeft in podcasts aan dat de enorme investeringen in onderwijs opdat zwarten kunnen bijbenen tav blanken weggegooid geld is, gezien zwarten (op basis van zijn ‘onderzoek’) nooit hetzelfde intelligentieniveau als blanken zullen bereiken.

Cofnas geeft hierbij het interessante voorbeeld van Noord & Zuid Korea. Stel dat zij ooit herenigd worden, dan heeft een inclusief beleid zin, om de decennialange achterstand tussen een volk dat kunstmatig werd gescheiden terug op te halen.

Maar zo ook op basis van zijn opvatting, en dus niet zijn eigen onderzoek, én dit zonder enige hard empirische data poneert Cofnas tussendoor dat bijv. Joden door erfelijk/genetische evoluties superieur intelligent zijn. En dat het omgekeerde waar zou zijn voor het zwarte ras…

Ook De Block waarschuwt voor politisering van wetenschap, en in voorgaand artikel heb ik mijn twijfels geuit of wetenschap wel buiten het politieke om kan worden gehouden en vice versa. Maar ook De Block geeft aan dat wetenschap een maatschappelijk doel moet dienen. Het is dus niet onlogisch dat wetenschappers nadenken over hoe hun onderzoeksobject impact kan hebben op politiek beleid. Maar er is een verschil tussen een academicus die nadenkt hoe hij zijn onderzoeksresultaten operationeel in beleid kan vertalen, en een academicus die zijn onderzoeksresultaten instrumentaliseert om 1 specifiek ideologische strekking academische legitimiteit te geven.

Cofnas is een typische trader of doubt. Hij is geen geneticus, maar spreekt zich toch uit over de rol van genetica om uitspraken te doen. Wat op zich legitiem is. Maar als je extreem controversiële uitspraken doet, dan ligt de bewijslast velen malen hoger dan bij een uitspraak die conformeert met algemene bevindingen. De waarde van zijn ‘onderzoek’ wordt bovendien stevig gehypothekeerd door de politieke invulling die hij er zelf aan geeft. De vraag die een academie zich dan dient te stellen is niet of het onderzoek geoorloofd is. Maar wat het finaal beoogde doel is van het onderzoeksresultaat. Indien waarheidsvinding ondergeschikt wordt gemaakt aan de politisering, stap je buiten je rol van academisch onderzoeker en kan je de facto ook geen aanspraak meer maken op je academische vrijheid.

Ook De Block pleit in zijn boek om politiek engagement te vermijden. Niet zozeer als een morele plicht maar als een professionele plicht, omdat het de onderzoeksblik vertroebelt of zelfs corrumpeert. Hij pleit niet voor zuiver ideologische neutraliteit, niet enkel omdat het onmogelijk is, maar ook al omdat het niet wenselijk is. Maar uitgesproken politiek engagement verergert de vooringenomenheid en dus de kwaliteit van het onderzoek.

Sinds de affaire Cofnas zijn er tal van opiniestukken verschenen. De academische vrijheid (de vraagstelling) wordt hierbij vaak verward met de ideologische intentie die, eenmaal uitgesproken, dan weer onder vrijheid van meningsuiting valt. Cofnas schakelt zeer handig tussen beide vrijheden. Wat hij onder de ene vrijheid als een mening uitdrukt, kan blijkbaar niet tegen hem gebruikt worden om zijn vooringenomenheid als academicus in vraag te stellen. Net alsof het 2 gescheiden universums betreft. In de ene sterk neigend naar racisme, in de andere de neutrale onderzoeker die slechts op onschuldige wijze een hypothese onder de loep neemt.

Een academicus heeft recht op een eigen mening, maar studies erkennen dat politieke radicaliteit & activisme een impact hebben op de academische kwaliteit van de onderzoeker, de 2 universums overlappen nu eenmaal. Een zekere publieke terughoudendheid zou maw gepast zijn voor de functie van een academisch onderzoeker.

Zo kent Nederland een gedragscode voor wetenschappelijk integriteit, onderschreven door  de Nederlandse academische instellingen. Bij de principes wordt verwezen naar onafhankelijkheid, met de expliciete vermelding dat overwegingen van politieke aard dienen te worden vermeden.

Academische vrijheid wordt omwille van integriteitsprincipes deels begrensd. Paradoxaal genoeg begrenst dit ook tot op zekere hoogte de publiek geuite opvattingen van de onderzoeker. Van zodra de onderzoeker de politieke arena betreedt, ontstaat een schemerzone of zijn optreden zijn rol als wetenschapper ondergraaft.

Het erkennen van deze grenzen vinden we onvoldoende terug in het huidige debat. Er wordt enkel gefocust op abstracte begrippen zoals absolute vrijheden, die in de realiteit nooit bestaan. De academische instellingen mogen vandaag dan mogelijks te links zijn. De erkenning ervan moet op termijn leiden tot een herbalancering van de juiste ideologische mix. En laat ons in deze poging waakzaam zijn dat de slinger niet doorslaat en we ongewenst illiberale krachten aan boord hijsen.

Published by kaveh randjandiche

Married with children, just a normal job, when I get frustrated by the daily politics I write, that s all.

Leave a comment