Inleiding
Het boek van Andreas De Block zat reeds geruime tijd in mijn achterhoofd als een te lezen titel, maar het was de zaak Cofnas die me uiteindelijk over de streep trok. Sinds ik het boek heb uitgelezen werd Freddy Mortier uitgejouwd tijdens een proclamatie en kreeg de Luikse professor Damien Ernst diverse taarten in zijn gezicht te verwerken tijdens een les. De vraag knaagt waarom links zo onbehouwen omgaat met rechts in haar middens. Is links gewoon slim bezig? Of is links intellectueel lui geworden na zovele jaren aan academische hegemonie? Om niet te zeggen storend dom?
Dit wordt geen loutere boekbespreking, maar een longread hoe het boek van slechts enkele jaren terug, plots zeer actueel wordt nav een zeer acuut gebeuren, nl. de aanwerving, de tuchtmaatregelen en een potentieel ontslag van Cofnas. Op moment van schrijven is het lot van Cofnas nog niet gekend, maar ik eet mijn hoed op als hij effectief wordt ontslagen met de publiek gepubliceerde elementen uit het tuchtdossier.
Tijdens het schrijven en omwille van mijn overlopend enthousiasme omtrent dit onderwerp, viel de tekst wat lang uit. Ik heb daarom dit stuk in 2 aparte artikelen gesplitst, waarbij ik in dit artikel louter focus op de inhoud van het boek van De Block, en in een vervolgartikel de elementen van het boek herneem om de stelling te verdedigen waarom Cofnas beter niet aan een academie werkt, zonder dat dit de academische vrijheid in het gedrang brengt.
In dit artikel vat ik het boek van De Block samen, zonder evenwel volledig te willen zijn. De titel ‘Is links gewoon slimmer’ is wat misleidend, want het boek gaat niet zozeer over het IQ van de gemiddelde linkse academicus, maar wel of we als maatschappij gebaat zijn bij een quasi uniforme linkse ideologie aan onze universiteiten. Het boek draait om de ideologische diversiteit in deze gemeenschap en of deze gemeenschap van academici vandaag voldoende garant staat om de academische vrijheid te vrijwaren. Ik stap regelmatig uit het boek, het is dus geen loutere boekbespreking.
In het vervolgartikel werk ik eerst een gedachte experiment uit. Wat als door een conservatief denker de vraagstelling ‘is homoseksualiteit een mentale stoornis’ opnieuw wordt opengesteld? En hoe de vraagstelling politiek kan worden gerecupereerd. Ik neem dit voorbeeld omdat het gelijkaardig is aan andere vraagstukken die ‘inclusiviteitsbedreigend’ zijn, maar waar we vandaag al de gevolgen van ondervinden – zonder evenwel dat de vraagstelling formeel wordt onderzocht.
Daarna tracht ik nav de zaak Cofnas na te gaan of er vanuit De Blocks denkkader, argumenten kunnen worden uitgefilterd om hetzij het onderzoek, hetzij de onderzoeker respectievelijk te ‘censureren’ of te ‘discrimineren’.
Twee opmerkingen hierbij.
- De Block is een fervent voorstander van academische vrijheden en zijn boek laat nauwelijks ruimte om hierop in te grijpen. Toch erkent De Block hier en daar grenzen. Ik zal die extra toelichten in dit artikel.
- Tweede opmerking is dat het in het 2de artikel gaat over mijn toegepaste interpretatie op de zaak Cofnas, en dat ik geenszins wil claimen dat De Block aan de hand van zijn eigen handvest tot dezelfde conclusie zou moeten komen.
Waarom deze focus? Het debat rond academische vrijheden vertoont 2 vormen die mijn inziens geen raakpunten hebben om tot een dialoog te komen. Hetzij is men voor een absoluut academische vrijheid, en dit dogma doodt ‘by design’ elk debat. Hetzij bestaat er een lijst van verboden onderwerpen, wat om evidente redenen al snel naar censuur ruikt. En waarbij velen dan nog eens vlot van kamp wisselen in functie van het onderwerp. Beide kampen domineren het debat.
Met uitzondering van de fundamentalisten van absolute vrijheden, geloof ik dat de stille meerderheid conceptueel wel gelooft dat er grenzen zijn, maar dat we ze niet correct en objectief geformuleerd krijgen. Uit vrees een grens te stellen die als censuur overkomt, stellen we dan maar geen grenzen. Deze derde groep zal bij gebrek aan een kader dan maar de kant van de absolute vrijheden kiezen.
Zonder voorop te willen lopen op de conclusie in het volgende artikel, wil ik betogen dat de gepolitiseerde doelstelling van de onderzoeksvraag onvoldoende aan bod komt in de zaak Cofnas, en dat links die observatie onvoldoende uitspeelt. De focus in de kritieken komt te vaak te liggen op de oorbaarheid van de onderzoeksvraag en niet op de achterliggende politieke agenda. Hierdoor heb je aan de linkerkant 2 kampen: zij die vinden dat elke onderzoeksvraag moeten kunnen, en zij die dat niet vinden maar de argumenten ervoor niet of onvoldoende kunnen aanbrengen, omdat ze focussen op de onderzoeksvraag vanuit een louter academisch perspectief.
Er is daarentegen maar weinig intellectueel gestructureerde aandacht voor de politiek activistische agenda van Cofnas en hoe dit zijn positie professioneel ondermijnt. Door meer te focussen op de politieker Cofnas verwordt het academisch karakter van de onderzoeksvraag plots minder academisch en schuiven we door naar een eerder ideologisch getinte vraagstelling. Cofnas speelt deze meerlagigheid handig uit, zoals ook recent in het editoriaal van De Standaard stond. Als hij aangevallen wordt, dan pareert hij kritiek met zijn terecht academisch recht om een hypothese te onderzoeken. Maar buiten de academie herverpakt hij zijn onderzoek niet meer als een hypothese, maar als een gegeven waarbij hij onverbloemd aangeeft dat zijn onderzoek moet dienen om een dam op te werpen tegen het links ideologische wokisme. En plots heet het dan vrijheid van meningsuiting, waarop hij niet mag worden aangesproken. Je weet maw nooit wanneer je de academicus en wanneer de politiek activist leest, ziet of hoort.
Mijn finaal betoog is er een dat Cofnas geen onderzoek doet om aan wetenschappelijke waarheidsvinding te doen, maar om een politiek ideologisch project te verwezenlijken. Dat is leuk, maar dat is niet noodzakelijk wetenschap.
Boekbespreking
Voor zij die denken dat links echt gewoon slimmer is, raad ik het boek van harte aan, want uiteraard is links niet slimmer, studies tonen soms zelfs lichtjes het tegendeel aan. De Block toont op zeer overtuigende wijze aan dat de academische wereld overwegend links is en hierin discriminerend tewerk gaat om rechts te weren. Alle argumenten pro discriminatie passeren de revue, gaande van een hoger IQ over betere competenties mbt waarheidsvinding tot zelfs de vaststelling dat de waarheid gewoon links is als je maar voldoende naar de evidentie kijkt. Eén na één maakt De Block korte metten met de toch wel populistische argumenten om het ideologische overgewicht van links aan de academie te rechtvaardigen.
Op één punt geeft De Block toe, en dat is het zgn. anti intellectualisme van conservatief rechts, waardoor ze vaker lijken te geloven in fundamenteel onwetenschappelijke bevindingen. Klimaatopwarming of doeltreffendheid van covid19 vaccins wordt vaker in twijfel getrokken door rechts dan door links. Ook links heeft uiteraard zijn irrationele geloofsovertuigingen, maar vaak zijn ze terug te vinden in de meer ‘softe’ wetenschappen zoals sociale psychologie. Verschillen in cognitieve vaardigheden tussen seksen worden zo door rechts soms als onveranderlijk beschouwd, terwijl links eerder naar omgevingsfactoren zoekt als onderliggende verklaringen. Feit blijft dat de wetenschappelijke discussie hier nog niet beslist is, maar dat er wel 2 ideologisch afgetekende kampen kunnen zijn. De linkse wetenschapsontkenning wordt hier deels door ideologische waarden gestut bij gebrek aan sluitend empirisch bewijs. Wat niet gesteld kan worden bij de voorbeelden rond vaccinatie & klimaatopwarming, die ondersteund worden door hard empirisch onderzoek.
De wetenschapsontkenning is vaak dieper bij rechts dan bij links, wat wel degelijk problematisch is. Maar het anti intellectualisme kan mogelijk ook eerder een oorzaak dan een gevolg van het links academische overgewicht zijn.
De conclusie van De Block is echter duidelijk: linkse wetenschap is slechte wetenschap als ze niet verrijkt wordt met rechtse wetenschap. Hij haalt daartoe talrijke argumenten aan. Interessant in gans zijn betoog is dat De Block niet pleit voor ideologische neutraliteit (!), maar waarden erkent als een waardevolle insteek om aan onderzoek te doen. Maar de vooringenomenheid van ideologisch gedreven onderzoek moet erkend worden als een valkuil (ideological belief bias), en wordt versterkt als de ideologie onder wetenschappers steeds dezelfde is. Daarbij zullen bepaalde onderzoeksvragen niet gesteld worden, of erger nog zullen bepaalde resultaten niet weerhouden worden omdat ze niet conformeren met het geldende geloof binnen een ideologische gemeenschap.
Ik ga me in deze bespreking verder beperken tot een onderwerp dat me sterk bezig houdt, en dat is in de extremen: waar ligt de ideale grens qua ideologische diversiteit aan de universiteiten dan? Om het extreem te stellen moeten ook fascisten een plaats krijgen als onderzoeker? En zijn hierbij alle onderzoeksvragen geoorloofd? Maw zijn er grenzen aan de academische vrijheid en tot waar kunnen die gaan?
Ik ben persoonlijk jaloers op mensen die pleiten voor absolute vrijheden, want voor hen is de vraag een no brainer: er zijn geen grenzen en daarmee is de discussie beslecht nog voordat ze begonnen is.
Er zijn vele goede redenen om zulk een standpunt in te nemen, de belangrijkste daarbij is dat elk argument tot censuur ooit als wapen kan worden gebruikt voor domeinen waartoe het niet was bedoeld (het slippery slope principe). Het debat academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting liggen in die zin zeer dicht tegen mekaar (ik zal hier verder op ingaan in het volgende artikel).
Een ander belangrijk argument is het fundament van de wetenschap zelf, nl. waarheidsvinding. Door onderwerpen of onderzoeksvragen bij voorbaat uit te sluiten, raak je aan de kern van wat de wetenschap is. Het primaire objectief van wetenschap wordt maw hiermee onderuit gehaald. Door domeinen uit te sluiten van waarheidsvinding, zit je per definitie in de anti-wetenschap.
Toch erkent De Block ook dat er grenzen zijn of via een processturing kunnen geleid worden. In mijn lezing blijven al de door De Block aangebrachte argument eerder normatief van aard, wat duidt dat het objectief moeilijk blijft om grenzen te stellen.
Vooreerst wil ik even terug naar de link die De Block zelf legt tussen moraliteit en wetenschap. Als je een boek begint te lezen waarin de links academische overmacht aan de tand wordt gevoeld, verwacht je niet direct een pleidooi voor (ideologische) waarden in de beoefening van de wetenschap. Sterker, De Block stelt mijn inziens terecht voorop dat wetenschap ingezet dient te worden voor een moreel goed – of alleszins geen immorele doeleinden. We ontwikkelen vaccins opdat mensen niet meer ziek worden. En zo ontwikkelen we ook geen ziektekiemen die de mensheid decimeren. Dus: moraliteit is belangrijk.
Doorheen het boek vind ik een 5 tal argumenten terug om al dan niet te tornen aan de academische vrijheid.
1/ Immorele doeleinden
Zoals hierboven aangegeven, wetenschap dient een moreel goed te beogen. Risico op immorele toepassing van onderzoek of in het geval van een duidelijk conflict met de principes van onze liberale democratie kan of dient zelfs een rode lijn te worden getrokken. Bijvoorbeeld AI dat het mogelijk maakt om via gezichtsherkenning homofilie te detecteren (Zo staat in Oeganda de doodstraf op homoseksualiteit, en wil je niet dat technologie om die doeleinden kan worden gebruikt).
2/afwezigheid van een gemeenschappelijk paradigma
Hier blijf ik wat op mijn honger zitten, omdat De Block hetzelfde argument gebruikt om tot 2 verschillende conclusies te komen.
In een eerste use case spreekt hij over het conflict tussen creationisme & Darwinisme. Om evidente redenen heeft een dialoog hier geen zin, omdat beide partijen geen raakspunten hebben en de dialoog hier niet tot doel heeft om het eigen project te verrijken met nieuwe inzichten. Discriminatie van bijvoorbeeld radicaalchristelijke creationisten is hier duidelijk zinvol.
Vreemd is dat dit gebrek aan een gemeenschappelijk paradigma in bijvoorbeeld de filosofie voor De Block net een argument voor ideologische superdiversiteit is. Gezien er binnen deze wetenschappelijke discipline over zowat alles een diepe onenigheid is, pleit De Block voor absolute academische vrijheid. De Block voegt daar als extra argument aan toe dat de maatschappelijke impact van filosofie hoe dan ook beperkt is. Ik kom nog terug op de beperkte rol van filosofie in het maatschappelijk debat mbt de zaak Cofnas in volgend artikel.
Dit gebrek aan een volledig gedeeld paradigma is trouwens ook aanwezig in de menswetenschappen, superdiversiteit is dus eveneens een na te streven doel. Maar in tegenstelling tot filosofie kan er hier wel degelijk een erkend grote maatschappelijke impact zijn van de wetenschappelijke bevindingen (leidt immigratie tot hogere criminaliteit?).
Het verschil tussen de diverse use cases zoals uitgewerkt is de mogelijkheid om via dialoog tot een these te komen, maar blijft al bij al toch normatief. Je kan immers ook geen raakpunten willen zien of de raakpunten zijn niet direct zichtbaar. Het vaak aangehaalde voorbeeld van Darwinisme is een typevoorbeeld van verzet tegen een theorie die inging tegen het heersende paradigma waardoor er de facto geen aanrakingspunten waren. De heersende wetenschappelijke klasse behandelde toen het Darwinisme zoals wij vandaag het creationisme behandelen. Normatief is er (met de bril van toen) weinig verschil tussen beide use cases.
3/Handelaars in twijfel
Interessanter is het door De Block eveneens erkende fenomeen van handelaars in twijfel of ‘traders of doubt’, onderzoekers die tegenstrijdig willen zijn, de publieke opinie willen bespelen of zelfs betaald worden om een specifieke agenda te dienen (zoals de tabakslobby bijvoorbeeld). Ik wil hier even uit het boek stappen, omdat ik de eerste keer met de term werd geconfronteerd in de context van de covid crisis en het georganiseerde verzet van oa Tijl De Bie tegen het toenmalige pandemiebeleid. Joël De Ceulaer heeft De Bie toen herhaaldelijk beschuldigd van trader of doubt. Jaren later en ook oa na het lezen van dit boek vind ik het frappant dat De Ceulaer, een rabiate voorstander van onbeteugelde vrijheden in de domeinen van meningsuiting & academisch onderzoek, de man zo hard heeft aangepakt. Uiteraard staat het De Ceulaer vrij om een andere mening aan te hangen, maar een tegenstander in een materie waar de waarheidsvinding nog volop bezig is beschuldigen van trader of doubt gaat verder dan een meningsverschil, en tracht de ander eerder te delegitemeren.
Zonder De Bie te willen verdedigen, want hij heeft wel degelijk feitelijke onwaarheden verspreid, moet erkend worden dat De Bie een alternatieve stem representeerde binnen zowel de academische als de politieke beleidswereld. Dat zijn beweging ook allerlei complottheoristen aantrok, zal niet geholpen hebben, al deed hij hun steun wel gevallen.
Ook Walter Pauli, journalist bij de Knack, kon het even niet aan toen het wintermanifest verscheen. Het Wintermanifest somde nogal klunzig de bezorgdheden op van een redelijk heterogeen gezelschap van ‘wijzen’. Hun voornaamste kritiek was de gefrustreerde observatie dat media en politiek hand in hand de stem van de experten beperkten tot een select gezelschap. Pauli heeft toen iets zeer lelijks (iets over shit & woordenbrij) op Twitter geplaatst en na een paar uren weer verwijderd met excuses naar De Bie. Zo diep was de kloof tussen beide kampen.
Het geeft maar aan dat tijdens Covid de huidige strijders van de academische vrijheden, er andere intellectuele regels op nahielden en geen sfeer creëerden waarin alternatieve stemmen ook respectvol aan bod konden komen.
Let op dat stevige kritiek geen verbod op de onderzoeksvraag inhoudt, maar je kan niet én voor academische vrijheid pleiten en tegelijkertijd een klimaat aanhangen dat dit extreem moeilijk maakt.
De Block erkent het tijdverlies dat gepaard kan gaan door telkenmale weer in dialoog te moeten gaan omtrent evidente waarheden. Maar anderzijds houdt het de wetenschap scherp dat ze zich continue moet verdedigen en haar arsenaal aan argumenten telkenmale moet verbeteren. Het risico is anders dat de publieke opinie zich net vragen stelt waarom bepaalde vragen niet (meer) aan bod mogen komen. En er een soort van wantrouwen kan ontstaan tav een waarheid die voordien niet in vraag werd gesteld. De Block stelt het niet met zoveel woorden, maar handelaars in twijfel zijn een noodzakelijk kwaad in een liberaal academische organisatie.
4/schadeprincipe
Het argument dat De Block niet opneemt in zijn hoofdstuk rond superdiversiteit, maar enkel aankaart onder een hoofdstuk toegespitst op (zelf)censuur, betreft de (toekomstige) schade die getriggerd wordt door de onderzoeksvraag. Interessant is dat hier wordt verwezen naar de use case rond onderzoek naar raciale verschillen. Onderzoekstegenstanders pleiten om dit type van onderzoek te censureren, omdat het onderzoek en/of de resultaten kunnen leiden tot sociaal niet wenselijke gevolgen. In het beste geval komen er geen verschillen naar boven. Maar net omwille van dit type materie is de kans hoog dat de resultaten nooit eenduidig zijn en hiermee voer worden voor zij die daar munt uit willen slaan.
Komt daarbij dat dit type van onderzoek gepaard gaat met onrechtstreekse schade: alleen al het bestaan van het onderzoek zelf leidt tot schade door stereotypering: zwarten zullen zich dommer voelen alleen al door het feit dat er onderzoek naar wordt gedaan. Een selffulfilling prophecy dus.
Tegenargumenten zijn evengoed valabel, gaande van mogelijkheid tot wetenschappelijke weerwoorden op zulke onderzoeken en het feit dat emotionele/sociale schade ook maar een subjectief gegeven is. Bovendien erkent de wetenschap niet steeds de draagwijdte van deze schade.
De Block pleit voor terughoudendheid in het beperken van onderzoeksvrijheden louter op basis van het schadeprincipe. Terecht merkt hij op dat ook in het verleden schade als argument werd ingeroepen voor theorieën die vandaag algemeen erkend zijn, net omdat de tijdsgeest anders was. Tenzij bijvoorbeeld potentiële schade de levensvatbaarheid van de planeet zou bedreigen, kan schade niet als beginsel worden weerhouden in het beperken van de academische vrijheid.
5/ Politiek radicalisme & activisme
Ik kom nu opnieuw even terug op de rol van academici zoals De Bie en collega’s in het Coviddebat. En ik verwijs naar een markant en vaak geciteerde uitspraak van Marc Van Ranst, nl. dat je bij een pandemie onmiddellijk de communicatieregie in handen moet nemen. In zijn ‘playbook’ is er geen ruimte voor luide tegenstemmen, alle neuzen moeten dezelfde richting uitwijzen opdat een efficiënte aanpak mogelijk is.
We bevinden ons hier niet louter op het terrein van academische vrijheden, maar in hoe beleid en crisiscommunicatie behoren te worden uitgevoerd. Toegegeven, de scheidingslijn is dun, gezien Van Ranst maar uitspreekt wat de market best practices zijn in een context van crisisbeheer, maar desalniettemin betreedt hij zeer duidelijk het terrein van de politicus.
In die context heeft De Bie willen inbreken, oa vanuit het oogpunt dat hij vond dat niet alle wetenschappelijke experts aan bod kwamen om het beleid correct te ondersteunen.
Was De Bie een handelaar in twijfel, op zoek naar faam, gestuwd op Twitter door een antivax beweging (waar hij voor alle duidelijkheid niet toe hoorde)? Kan je stellen, op basis van het schadeprincipe, dat De Bie ook onrechtstreeks de antivax beweging heeft gevoed, zelfs al was hij overduidelijk geen antivaxer? De vele berichten waarbij hij de effectiviteit van vaccins bij bepaalde doelgroepen (kinderen vooral) in twijfel trok, was misschien terecht, maar was ze ook verantwoord in de toenmalige context? In een context van schade, had De Bie niet beter gezwegen? Let op, waarmee we niet bedoelen dat De Bie diende te zwijgen, maar of er geen betere kanalen waren via dewelke hij zijn bevindingen kon delen? Moest hij maw een publiek zoeken via de sociale media om zijn bezorgdheden te uiten?
Het antwoord op deze vraag geeft De Block volgens mij deels in zijn hoofdstuk rond politiek activisme. Een wetenschapper houdt zich best ver van het politieke gewoel, niet alleen om zijn ideologische vooringenomenheid nog verder te bestendigen, maar ook om de politisering van wetenschap tegen te gaan.
Maar wat als de politiek de experts aanduiden die onvoldoende pluriform zijn, welk ander medium rest dan nog buiten het expliciet opzoeken van de media? Covid werd nu eenmaal als wetenschappelijk fenomeen gepolitiseerd en tot op de dag van vandaag beroert het de gemoederen, getuige de Fauci heksenjacht in de VS. Dit dwingt wetenschappers in het defensief en maakt het hen moeilijk om zich soms niet uit te spreken over een buiten hun wil om gepolitiseerd vakdomein.
Bovendien kan je onmogelijk stellen dat wetenschap zich in een politiekvrij vacuüm bevindt. Multidisciplinariteit van de disciplines overspannen vaak ook beleidsgerichte domeinen, en alles werkt op mekaar in. Covid mag dan intrinsiek geen politiek wetenschappelijk onderwerp zijn, van zodra men de witte ruimtes van het labo verlaat wordt alles politiek.
In mijn lezing is De Block hier het meest expliciet & streng als het gaat om grenzen aan academische vrijheden. Studies tonen aan dat extreme politieke meningen en activisme gepaard gaan met minder kwalitatief wetenschappelijk onderzoek, net doordat de ideologische vooringenomenheid een extra impuls krijgt. De Block pleit dan ook voor politieke terughoudendheid, niet omwille van morele doeleinden, maar omwille van professionele redenen. Net zoals een chirurg zich daags voor een operatie best niet laveloos drinkt in zijn privé tijd, zo dient een onderzoeker zich best te onthouden van al te politieke overtuigingen. Kan hij dat niet, dan kan hij best een ander beroep kiezen (sic).
Dit brengt een interessante tegenstelling met zich mee die De Block zelf niet aankaart, nl. dat de academische vrijheid alleen ten volle naar waarde kan worden uitgeoefend, indien de academicus zich ten dele laat beperken op het vlak van de vrije meningsuiting. Hoewel ik niet geloof dat De Block dit zo sterk zou stellen, geeft dit duidelijk aan dat academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting niet dezelfde termen zijn en dat beide vrijheden op mekaar inspelen en zelfs mekaar kunnen beperken.
In het aansluitende artikel zal ik hierop dieper ingaan bij mijn evaluatie van de zaak Cofnas.